Tekst Tussenwereld

De glimlach om mijn lippen is in de loop der tijden vervaagd. Wanneer het precies gebeurd is, ik weet het niet. Als ik terugdenk aan twintig jaar geleden, meen ik me te herinneren dat hij er nog zat. Ik zie me langs de straat lopen, hand in hand met haar, lachend en van binnen zingend. En kussend. En strelend. Twee pubers, maar wat gaf dat? We hadden alleen oog voor elkaar. We hadden elkaar en de wereld kon ontploffen. Ik zie me in bed liggen, verstrengeld met haar. Mijn voeten koud tegen de hare, mijn knie tussen haar benen, haar knie tussen die van mij. Wat hoger een kluwen van handen en haren en meisjesgeuren. Nog hoger, onze vroegste wonden lieflijk tegen elkaar. Dan: de heuvels die zich in ons twaalfde levensjaar voorzichtig, met veel schroom hadden aangeboden, veel minder schromelijk nu genietend van elkaar en van de overgebleven handen. Onze lippen teder tegeneen gedrukt, tongen spelend en plagend ook de neus. Ogen in ogen gevangen. We hadden elkaar en de wereld kon ontploffen. Zolang het bed maar intact bleef, het bed met ons erop. Toen was de glimlach er nog, strak om mijn lippen en warm in mijn borstkas.

De foto’s van vijftien jaar geleden verraden een heel brede halve maan. Zij zuchtend en puffend in het hoge bed, moe geschreeuwd, haar tanden kapotgebeten en haar heupen opengereten, hij schreiend in mijn armen, kleine man. Zijn eerste contact met de vrouwelijke welvingen en de Naomi Campbell-geuren van zijn trotse papa.

Vijf jaar later samen op de wip, beide bengels met een schaterlach en ook de ogen van ons, ouders – wat een woord, we voelen ons jonger dan ooit – glimmen van plezier. Wij gezellig op een bankje, de wind speelt zachtjes met haar haren zoals mijn hand al even zacht met haar vingers speelt. Haar vingers met die van mij. Een zucht. Mijn lichaam doorstroomd van intens geluk. Ik ben verliefd, een gevoel dat veel minder banaal is dan het lijkt als je het zo op papier geschreven ziet staan. Of het uit de mond van een ander hoort. Verliefd op haar, naast mij op het bankje. Verliefd op hen, spelend op het klimrek. Verliefd op de wind zelfs, die steels probeert mijn liefje te verleiden. Het doet me niets. Jaloezie is te aards voor wat wij voelen voor elkaar. Verliefd ook op de jonge lente met haar vogeltjes die ons voorjaarssonnetten brengen, om het luidst en om het vrolijkst fluitend, smekend om de aandacht die echter helemaal opgeslorpt wordt door het spel van onze vingers. Subtiel, maar zo aanwezig. Te puur om niet tot een glimlach te dwingen.

Daarna wordt het vaag. Het is moeilijk je voor te stellen dat er één moment was, waarop alles anders werd. Even moeilijk blijkt het echter om je nog een moment van dergelijke puurheid te herinneren. Jonge lentes brachten minder virtuoze vogels, het woord verliefd leek plots te verheven voor het gevoel dat het geacht werd te beschrijven. De wind bleef spelen met de haren van zij aan wie je je eeuwige liefde had gezworen, en nog steeds wekte hij geen greintje jaloezie bij je op. Niet meer omdat je er boven stond, maar omdat het je niets meer deed hem te zien proberen haar van je te stelen. Wanneer het precies gebeurd is, je weet het niet. Het moet er al een tijdje zijn, hoewel je het nu pas beseft. Dat gevoel, dat gekenmerkt wordt door het gebrek aan gevoel. Allicht het gebrek aan het gevoel van toen.

Door paniek getroffen probeer je dat gevoel terug te vinden, en af en toe denk je dat het weer tot leven is gewekt (hoewel je je amper nog lijkt te herinneren hoe het precies voelde, toen, en waarom). Wanneer je na de nieuwjaarsreceptie met een collega onder de lakens belandt, wanneer het oogcontact met de zwemlerares van je jongste uitmondt in een stoeipartij in het kleedhokje. Maar de kleine dood die je sterft, is slechts fysiek, en enkel spreekwoordelijk. Niemand zal er een traan om laten. Veel schrijnender is de stille dood waarvan je pas te laat beseft dat hij in je is geslopen, ergens tussen nu en toen. Te laat om te huilen, stiekem onder de lakens nadat de ademhaling van zij die nog steeds het bed met je deelt, koud naast je met haar rug nietszeggend tegen die van jou, geruststellend rustig is geworden. Uiterlijk houd je je sterk, met als symptoom enkel je verdwenen glimlach, die net als het sporadische liefkozen van je vrouw mechanisch is geworden. Maar je laat het over je komen, en gelaten wacht je tot er nog eens twintig jaar is verstreken. Want net als alles is ook het leven cyclisch, en dus is het niet onmogelijk dat met de kindsheid ook de glimlach van toen weer in je zal kruipen.