Tekst Jasper

Sprakeloos staar ik naar het reusachtige bouwwerk voor me. Natuurlijk, in de geschiedenislessen heb ik hopen foto’s van piramiden gezien, tot vervelens toe. Maar wat me op zo’n papiertje saai, wezenloos leek, ervaar ik nu als het meest indrukwekkende wat op deze hele planeet te vinden is : de piramide van Cheops, één van de zeven wereldwonderen.

Alsof alle leven uit hem verdwenen is, staart Jasper voor zich uit… Opeens trekt hij zijn keel open. Wat heeft hij nou aan een driehoek ? Cirkels wil hij zien, cirkels !

Woest werpt hij zich tegen de grond. Zo blijft hij liggen, zonder ook maar één keer te bewegen.

Mijn ouders proberen vanalles, tot ze beginnen te beseffen wat ik al eeuwen doorheb : door niets laat m’n broer zich overhalen om zich op te richten. Ten einde raad proberen papa en oom Jan dan maar om hem op te tillen. Blijkbaar hebben ze de kracht die in zo’n tenger lichaampje kan schuilen onderschat. In een onverwachte hysterie krijgt mijn vader een rake klap in zijn ribbenkas en oom Jan wordt met een daverende smak bijna zijn tanden uitgeklopt.

Cirkels ! Cirkels ! Geen piramiden ! Cirkels !

Het voorval verandert niets aan onze plannen voor deze dag. Nadat de mannen verzorgd zijn en Jasper weer handelbaar geworden is, besluit mijn moeder om onze tocht verder te zetten. Tante Sofie echter wil deze plaats niet achter zich laten zonder foto’s van deze wereldberoemde monumenten. Gelukkig, want mijn verwondering over de piramide heeft me zoveel tijd gekost dat ik De Sfinx nog niet goed heb kunnen  bewonderen. Op de grafzuil tussen zijn poten staat het volgende geschreven: ‘Op een dag verscheen de sfinx, helemaal met zand bedekt, in een droom aan een jonge prins en beloofde hem dat hij koning zou worden als hij de sfinx van al het zand kon ontdoen. De Prins voert deze opdracht uit en wordt de farao Toetmosis IV.’ Om één of andere reden ontroeren deze woorden mij echt.

We zijn terug bij het hotel waar we enkele dagen overnachten. Het is een prachtig viersterrenhotel, op enkele tientallen meters van de Nijl. Lang uitgestrekt lig ik te genieten van de meest zalige vakantie van m’n leven.

Hij zit weer te wiegen, in kleermakerszit, met z’n armen gekruist op zijn benen. Van voor naar achter, van achter weer naar voor. Met regelmatige bewegingen. Uren aan een stuk kan hij zo zitten, langer dan ieder ander. Zich niet bewust van de omgeving, met grote ogen wezenloos voor zich uit starend. Nergens aan denkend. Gewoon, er niet zijn, niet op deze wereld, maar op z’n eigen, Jasperiaanse eilandje. Een eilandje ver weg van de mensen, met cirkels en water, ja, heel veel water…

Het is een zonderling iemand, die broer van me. Dat was al heel vlug duidelijk. Toen hij twee jaar oud was al. Hij was anders, anders dan het meisje bij de buren, anders dan het broertje van mijn vriendinnetje.

Anders, maar daarom niet minder waard. Spreken kan hij niet, toch is hij niet dom. Alleen anders.

Maar toch houd ik van hem.

Jasper.

Want hij is mijn broertje.

Mijn ouders houden ook van hem. Beweren ze. Ik geloof hen niet. Door de week zit Jasper in een gesticht. Daar zou hij goed behandeld worden. Maar in zijn weinig zeggende ogen lees ik dat hij het daar niet fijn vindt. Hij wil bij mij zijn. Ik zorg voor hem. Ik zorg voor hem zoals mijn ouders dat niet doen. Ik houd van hem, zij niet.

Water. Ginder is er water. Hij wil water. Op z’n eiland is ook water. Hij houdt van water. Water is mooi. Mooi. Cirkels zijn ook mooi. Maar cirkels zijn er niet. Niet hier, hier zijn piramiden. Geen cirkels. Water is er wel. Veel water. Mooi water. Daar! Water. Tot zijn enkels. Tot zijn heup. Verder, veel verder. Nog meer water. Water!

Nu is het weer mijn schuld! Jasper is verdwenen. Al twee uur is hij door niemand meer gezien. Moe van de vele belevenissen was ik even ingedommeld. Jasper was bij mij. Hij zat weer te wiebelen.

Hij zat weer te wiegen. Dat kon zo nog uren doorgaan. Als hij daar zo zat, kon er een bom ontploffen. Hij zou het niet weten. Hij wist van de wereld niet.

Mijn ouders zijn razend. Ik moest voor hem zorgen, zeggen ze. Dat doen ze zelf nooit. Dat moet ik altijd doen. Maar ik lag te slapen. En toen was Jasper weg.

Ik moet even afkoelen. Mijn hoofd gloeit. Vol schuld en zorgen schuif ik het water in. Even nergens meer aan denken.

Hij kon dat. Nergens aan denken. Hij was daar een kei in. Weinigen kunnen dat, hij wel. Dan kon hij toch iets. Verder kon hij niets. Of toch. Hij kon een perfecte cirkel tekenen, zomaar, met de vrije hand. Dat kon hij.

Zalig. Alles even vergeten. Dat schuldgevoel weg laten drijven. Straks komt hij terug, die broer van me. Hij maakt gewoon even een ommetje. … In een streek die hij niet kent… Niet aan denken nu. Hij houdt van mij, ik houd van hem. Hij komt terug.

Ai. Ik stoot mijn hoofd tegen een… een voet? God,laat het geen voet zijn.

Het is een voet. Zijn voet.